Bard’s Sleinse Archief Column  E-mail

22 maart 2017 - Bart Van Damme

 

Albertforre Albertforre

FPS. Forré Polenstraat Sleidinge. Albert Forré viert dit jaar 2017 zijn gouden jubileum als journalist. 50 jaar pennen over het Meetjesland, over Eeklo... Overal ‘bij’ zijn en 50 jaar dorpspolitiek meemaken, de rozengeur, de maneschijn. Albert is een journalistiek monument in de regio en hij is duidelijk nog niet van plan om er zomaar de brui aan te geven, ondertussen overgrootvader zijnde. Ik had vorig jaar al een gesprek met Albert hierover en de beide Jorissen-archivarissen van Sleins Archief op de hoogte van de laagte gebracht. Ik zou Albert eren want hij verdient dat. Dat staat buiten kijf. Ik ben het alleen een beetje uit het oog verloren. Helaas. Maar uit het oog is niet uit het hart. En er is ook nog altijd Het Laatste Nieuws en mijn dierbare vriend (en Facebookgoeroe) Joeri Seymortier om me eraan te herinneren wat voor een uitzonderlijke carrière deze streekverteller wel heeft uitgebouwd. Het is raar maar als ik er over nadenk, kom ik Albert veel tegen in mijn leven. Als kind kijk je al op naar de journalist die op alle grote Sleinse evenementen vragen komt stellen. Ook nog seingever bij koersen (soms nog door mijn grootvader Arsène Van Damme mede georganiseerd) én vaak op straat om van bus tot bus flyers uit te delen. Albert is 50 jaar lang een bekend gezicht. Niet alleen in Sleidinge. Maar in het hele Meetjesland. Tijdens mijn studies droom ik er al van om journalist te worden en mijn grote voorbeelden zijn mannen als Bertin De Coninck, Bert De Craene, Martin Heylen, Geert Vandoorne, Joris De Wildeman, ga zo maar door. Mannen van ‘de gazet’. Dankzij Michel De Sutter van De Eecloonaar mag ik mijn eerste stapjes in de journalistiek zetten en het is daar dat ik ‘op de baan’ Albert Forré van Het Laatste Nieuws tref. Toen al de absolute ouderdomsdeken, gerespecteerd en voortdurend op jacht naar nieuws. Een tweetal jaar later ben ik één van zijn opvolgers bij Het Laatste Nieuws. CWW Cardon Willy Waarschoot zat ertussen, nu chef Het Laatste Nieuws in de hoofdzetel in Kobbegem. En toen kwam ik: VDBE Van Damme Bart Evergem. Sleidinge was me te klein in die dagen. Ik zal het me altijd beklagen. Ik had beter VDBS gekozen. Zucht. Ik zou de wereld veroveren. Het is ongeveer hetzelfde gebied van Albert geworden: Evergem, Zomergem, Lovendegem, Waarschoot, haven van Gent en op het einde ook even Eeklo waar ik Marc Vanhulle even de hoekjes van de stad zou leren kennen. Heeft niet lang geduurd. Het is uiteindelijk de Huysmanhoeve geworden en het eeuwig beminnen van ons zoete Meetjesland geworden, zo dichterlijk bezongen door meester Lorand Vereecke, de grootvader van mijn vrouw. Volgt u nog? Ik klaag niet, hoor. Het waren heerlijke tijden, op de persbanken van de gemeenteraad. Af en toe eens vaderlijk op de schouder getikt door Albert. Op afstand blijven van het politieke gekrakeel en dan met de pen toeslaan als het even kon. Af en toe had ik zoveel gemeenteraden dat ook mijn vader mee op stap moest om nota te nemen. Altijd met één doel: de volgende dag een mooi verhaal schrijven en graag ééntje dat er bij collega Ivan Vanhove, bij Marc Vanhulle, Albert Forré, Willy De Buck of Rudi Van Holderbeke niet stond. Om dan de volgende dag vast te stellen dat ge ervaren ratten niet te veel de loef moet afsteken, want dat ge dat dubbel en dik terugbetaald krijgt. Een heerlijk spelletje, vond ik het. En Albert speelt het dus al 50 jaar. Chapeau! De Eeklonaar van de beruchte wijk ’t Snuifmeuleken. Er is wel nog een café met die naam, maar de arbeidershuisjes en de vele café’s van weleer zijn allemaal gesloopt. De Eeklose jongeman wiens ouders in Noord-Frankrijk moesten gaan werken, ‘het seizoen doen’ op de velden zoals beschreven in het stuk ‘Suiker’ van Hugo Claus. Geboren in Valenciennes is hij, Albert. De begenadigde student die zich in de stadsschool liet opmerken bij het schrijven van opstellen en er zijn leven aan gewijd heeft. Sleidinge was ook te klein voor Albert. Nog, trouwens. Albert is gekend in het hele Meetjesland. Altijd erbij. Nooit prominent op de voorgrond. Maar met zijn eigen idee, met zijn eigen objectieve blik, met zijn pen… klaar om ‘het spel’ te spelen. Een wonderbaarlijk prachtig spel. Het spel van de observatie van mensen. Albert, ik heb jou ook geobserveerd. En ik heb een intrigerende mens gezien, een mooie mens, een genieter van mensen. Van harte!

Bart Van Damme, collega

 

 

28 april 2016 - Bart Van Damme

Martens Martens

Ik heb het grootste tsjevenfeestje in de 800-jarige geschiedenis van Sleidinge aan mij laten voorbij gaan. Al had ik bij dé standbeeldvoorstelling van het jaar aan professor Marc Eyskens graag wel eens gevraagd hoe het voelt om de eeuwige Poulidor te zijn, schaduw van Wilfried Martens die studeerde voor eerste minister en het nog zo ver schopte ook. “Het heeft er altijd in gezeten, mijnheer.” Ik heb het zinnetje tijdens mijn wonderjaren tientallen keren gehoord. En telkens wij ergens in België op uitstap waren en men vroeg waar wij in Godsnaam vandaan kwamen, dan klonk het steevast. “Uit Sleidinge, madam, het dorp van Wilfried Martens.” En dan klonk het lachend. “Aaah, Slenne!” Behalve in Gent waar men antwoordde op deze vreselijke manier: “Aaah, Slaaadèngne!” Zucht. Wilfried was dus onze referentie als het over Sleidinge ging. Zoals ik bij het herhalen van mijn achternaam in het buitenland, steevast de voornaam Jean-Claude moet benoemen. “Van Damme, comme Jean-Claude. Oui, Oui, c’est mon oncle…” En dan een blik van ongeloof en een luide lach bij het zien van mijn kapoenenogen.

Wel ja, Wilfried Martens. Het betaamt niet om als archiefcolumnist nu een beetje vreselijk hoogstaande politieke scherpslijperij boven te halen. Al zou Wilfried het zelf wel gedurfd hebben. Hij was dan ook een echte partijsoldaat. In de letterlijke zin van het woord. Toen ik ergens in de jaren ’90 in het Sanderushuis als beginnend journalist voor De Eecloonaar een lezing van onze gewezen premier ging bijwonen, kwam hij daarna iedereen een handje schudden. “Ha, de jeugd”, klonk het vriendelijk, “De toekomst van onze partij. Dat is evident, hein.” Hij bedoelde het vast heel vriendelijk maar ook echt wel gemeend. Op deze manier had Wilfried wel een beetje op mijn pik getrapt en er meteen voor gezorgd dat ik tot op de dag van vandaag (en tot op mijn sterfbed!) een houding heb aangekweekt van ‘Geen Partijpolitiek Voor Mij’. Da’s mijn persoonlijke slogan geworden. Maar ik veroordeel hem niet. Ik vind een standbeeld meer dan op zijn plaats. En ook dat plein mag zijn naam dragen, al zou ik het wel overdreven gevonden hebben, mochten mensen daar hun adres moeten voor wijzigen hebben. Voilà: mijn mening. Maar terecht, een standbeeld. Sans doute. 4467 dagen premier en daarmee nummer twee op de ranglijst in België na de liberaal Charles Rogier (van het Rogierplein in Brussel) die nota bene zijn 5616 dagen wel veel meer in stukken en brokken heeft geregeerd dan ‘onze’ Wilfried. De enige andere bekende namen in de toptien zijn ‘buurman’ (uit Mariakerke) Guy Verhofstadt op nummer 7 en ‘papa’ Gaston Eyskens op nummer 9. Voor ‘zoon’ Mark Eyskens was een iets kortere carrière weg gelegd (261 dagen). Dus, Martens mag zich echt wel een primus inter pares noemen. Dat was hij trouwens al in de kakschool.

In mijn leven is Wilfried Martens overal. Een tweede (en laatste) persoonlijke ontmoeting met Martens duurde iets langer en was ook in opdracht van De Eecloonaar. Ik ging onze ex-premier opzoeken in zijn kantoor in de Europese wijk van Brussel voor een interview over zijn boek, een bundeling van al zijn toespraken over het toekomstige Europa. Helmut Kohl had het voorwoord geschreven. Ik wil maar zeggen. En ik moet toegeven, deze keer werd ik als journalist behandeld en niet als schildknaap van “dé partij”. Hij was ontzettend vriendelijk en bovendien in zijn sas omdat ik van Sleidinge was en ik de naam van mijn buurman Herman Bral en van mijn papa’s achterneef Urbain Van Damme, twee van zijn klasgenoten, meteen heb laten vallen. Hij was verkocht en dat vond ik dan wel heel sympathiek van deze eenvoudige volksjongen uit de Wittemoer. Hij heeft bij de tweede ontmoeting mijn eerste mindere ervaring ruimschoots goedgemaakt. Ik herinner me dat hij veel extra tijd nam om me in detail uit te leggen waar zijn verdiensten in het pas gemaakte Sint-Michielsakkoord nu precies lagen en waar Dehaene had moeten doorduwen om met enige loodgieterij onze geliefde federale staat tot een historisch feit te bombarderen. Hij was daar heel open en eerlijk in. Ik herinner me ook zijn vurig pleidooi voor een vergelijkbaar federaal Europa en tot op zijn laatste tv-optreden toe is Martens nooit afgeweken van die overtuiging. Ik weet het wel, ik ben cynisch van aard, maar ik moet dit Sleinse icoon daar wel voor bewonderen. Hij had krachtige ideeën en de onvoorwaardelijke wil om die ideeën ook te realiseren. Als Brussel zich nu hoofdstad van Europa mag noemen, is dit ongetwijfeld het werk van ‘Widdemoere Wielfried’, zoals hij wel eens meewarig aan de toog van Sleinse café’s genoemd wordt.

Overal dus. Mijn kinderjaren zijn bevlekt door de figuur Martens en zijn partij die mijn dorp gedurende de jaren zeventig, tachtig en negentig vooral oranje kleurden. Als de tsjeven dus ergens feest moesten vieren, dan toch wel op het dorp van Sleidinge, zeker? Voor mij, als kind, had dat kleur totaal geen belang. Ik herinner me zijn komst (vaak vergezeld van de nummer twee van de UNO, Erik Suy) naar tal van festiviteiten als was het gisteren. Diegene die er in mijn geheugen uitspringt, was de fototentoonstelling in de jongensschool waar we in elke klas en in de moderne turnzaal foto’s konden bewonderen van Sleidingse scholieren van 1900 tot 1980. Ik sta ook in dat boek te blinken en ik koester het als een waar relikwie van ons dorpsverleden. Een schitterende tentoonstelling. De drijvende kracht? Walter Verplaetse. Toen ik daarnet een fotootje ging nemen van Wilfrieds standbeeld in volle zonlicht, tussen Jezus Christus en de oorlogshelden van Sleidinge in, reed ik niets vermoedend naar huis richting Hooiwege. Walters huis staat te koop. Ik moest toch even slikken…

 

25 januari 2016 - Bart Van Damme

 

Exclusief interview met Khoi

 

 

4 september 2015 - Bart Van Damme

Dag dierbare Sleinse archieflovers. Binnenkort word ik alweer 46 jaar en laat dat nu net een Sleinse hoogdag zijn want op die dag Zijngt Slenne (in ’t) Slèjns, dit keer in Den Orbit aka Den Instuif aka ’t Klokhuis via ’t kleuterkoerken in ’t Akkerken. 3 oktober, schrijf ende noteer waar je kan. Dat brengt mij terug naar 1969, het jaar van de eerste Tour van Eddy Merckx, mannekes op de maan en Woodstock. Op dat moment stond de Watertoren al een kleine acht jaar te koekeloeren tussen ’t Hulleken in Evergem en de Wurmstraat in ‘ons’ Sleidinge op het platteland en toen nog eeuwen verwijderd van de grote stede Gent. Dat brengt ons terug naar 1961. Mijn ouders waren nog net niet getrouwd en de wereld maakt kennis met ene John F. Kennedy die de door hem ingevoerde moderniteit niet te heel lang meer zou meemaken. De watertoren van Sleidinge werd in 1961 gebouwd volgens ontwerp van architect F. De Visscher. Er kan in deze toren van 48 m niet minder dan 1000 m² water. Je herkent broertjes en zusjes ervan in Laarne, Stekene en Assenede. En in het net aan de oorlog ontvluchte Sleidinge, net bekomen van een repressie en de rock ‘n rollrevolutie van Expo ’58, rijst een toren zo sober, zo mooi en... zo belangrijk. Want watertorens, dat betekent stromend water. Voor televisie- en internetkinderen als wij is het nauwelijks denkbaar dat stromend water ooit niet bestaan heeft maar dat is dus niet waar. En ons eigen dorp heeft hierin een cruciale rol gespeeld. Zo kregen wij in 1961 een heuse gestileerde watertoren, op het moment dat België nog in ‘de Congo’ zat en vele van onze ouders nog droomden van een rijkelijk koloniaal leven. Nauwelijks tien jaar later werd ook een waterspaarbekken gegraven dat water voorziet voor het hele Meetjesland en Waasland. En ja, ondertussen zijn er al twee bekkens en staat er, grondgebied Kluizen, een ondergrondse watervoorraad ter beschikking dat ons wiskundig brein nog moeilijk bevatten kan. Van kind tot jongeman zag ik dat allemaal groeien en bloeien, terwijl voor mij alleen maar het water door de kraan stroomde zoals een kleine uk het nu maar normaal vindt dat hij overal wifi heeft om zijn iPhone aan de praat te krijgen. In 1969 zong ene Bob Dylan al ‘The times, they are a-changing’. In het half-fabrieksdorp, half-landbouwdorp Sleidinge bleef de watertoren niet onopgemerkt. Wellicht kon de koppige Sleidingenaar het aanvankelijk moeilijk verkroppen dat de skyline werd aangetast, maar heel kort daarna werd het een symbool voor het dorp. Jaren later zou dit met de rotonde ook gebeuren. Wij, met meester Walter op kop, mochten met de lagere school de watertoren ooit eens bezoeken. Meester Jozef was enkele maanden afwezig en meester Walter had een prachtig uitje voor de vijfdejaars uitgestippeld. Hilarisch bezoekje was het. Maar ik weet dus perfect hoe het er daar boven uitziet. Prachtig zicht tot in Gent en een ronde zwemkom water waar je als kind zo zou willen induiken. Dat mochten we niet van meester Walter. Spieekkelen ook niet. Toch heb ik drie dagen erna geen water uit mijn kraan laten lopen. Maar we hebben wel goed gelachen, wij van ’t vijfde studiejaar...

 

 

17 mei 2015 - Bart Van Damme

The Slime Hunters. Het moet zomer '89 geweest zijn, dat wij in Sleidinge één van twee Stemme Festivals hebben georganiseerd op het koerken van de kleuters aan 't Klokhuis. Op het podium Marc Tee Thijs met mondharmonica. Fenomeen in de blueswereld, zo werd ons door de Sleinse blueskenners Wardje Spanhove en zijne maat Jempi Jagger in het oor gefluisterd. Dat was echt niet overdreven, zo goed. Pleintje vol, ambiance compleet en Limburgse blues van hoog niveau. Iets om niet meer te vergeten. Die dag ook: Michel Goessens, Tom Wolf, Bruno Deneckere (Pink Flowers) en The Excessives (later Dildo Warheads). Ik wist nog dat ik diezelfde mondharmonicaspeler kende van de Rockrallyfinale een jaar later op het podium met Noordkaap. Maar ik was de naam, The Slime Hunters, glad vergeten. Terwijl ik zelfs zou in staat zijn melodieën te neuriën van de prachtige blues die die gasten daar op dat kleine podium heb gebracht. En wat doe je dan als je, als 'once in a lifetime opportunity' met de enige echte nog levende koning van het Nederlandstalige lied op het podium mag staan. 't Is te zeggen, als voorprogramma. Dan vraag je toch gewoon wie de band was waar Marc Thijs bij speelde eind de jaren tachtig? "The Healers?", probeerde Stijn Meuris. Nee, nee. "The Slime Hunters?" Verdikke ja, dat was het!  Concertzaal De casino in Sint-Niklaas, dat zal ik ook nooit meer vergeten. Uitverkocht, 600 man. Het moet van De Kreuners geleden zijn in Ertvelde, ook begin de jaren '90, dat ik nog zoiets mocht doen. Rotzenuwachtig was ik. Maar ik tril nog na. Wat een zaal ook. Het project 'Onteigend' van cirque constance is een briljant idee. Dit was ook een zaal met geschiedenis. In een vorig leven gewoon een gore sexcinema. En nu een van de hipste clubs van Vlaanderen. Zo wijs maat. Het lijkt wel het weekend van de uitverkochte zalen want straks speel ik in het theaterstuk 'De Constateurs' muziek en de première is ook uitverkocht. De max. Doet me eraan denken. Deze week mooi momentje 'even mijmeren met Goes' gehad. Ik herinnerde hem eraan dat hij bij de warming up van zijn fantastische band Invoice altijd even zijn kunnen op bas demonstreerde. Ik was daar enorm van onder de indruk. "Dat jij dat nog weet, Bard." Tja, wat moet ik anders in columns schrijven. Dat ik hem nog gebeld heb om me ervan te vergewissen of het nummer 'Is Vic There?' toch wel degelijk een Invoice-nummer was! Neen, Bard, Department S. Dat hij daar nogal mee gediend was. En over zijn legendarische trucker-bassist Marc Verslycke. De coolste rare vogel in de geschiedenis van rock 'n' roll. En over pintjes drinken natuurlijk. Zoals gisteren bij Ludwig de Turk in Sleidinge. Ontlading. En vanavond weer dat podium op. En hoe ik mijn ervaren vriend Lexxe naar huis bracht. Ooit zelf zanger-gitarist, dan roadie bij Ze Noiz... zucht ... en nu bij ons. Tijd om onkruid te wieden en terug de voetjes op de aarde zetten.

Nog een kleine uitleg bij de foto:  dit is wat er gebeurt als de bassist van Meuris het 'bakje' van de zanger van Woesten in handen krijgt! Bassist van Meuris? Bart Van Lierde: Les Truttes, Zornik, Hannelore Bedert, Nona Mez en Zita Swoon. Onder andere. En nu Meuris. Ik ga mijn gsm nooit meer wassen met Dreft!

 

5 maart 2015 - Bart Van Damme

Column maart 2015 Column maart 2015

“Een oud gebruik te Sleidinge is dat der Meizangers.” Die zin tolde al heel lang door mijn hoofd. En ik begon me waarlijk af te vragen of mijn fantasie nu de bovenhand haalde. Maar Joris leverde mij het bewijs. Meester Walter heeft hier wel degelijk prachtige verhalen over verteld in de lagere school. En ik zie die tekst uit het boek van meester Robberecht nog voor me liggen, gestencild, op de schoolbanken van de gemeenteschool. Verhalen die de meesters bovengehaald hadden bij vele andere Sleidingenaren met een hart voor ‘onze’ geschiedenis. Ik moet waarschijnlijk als Obelix in een vat vol taarten zijn gevallen bij mijn geboorte, want het zondagse verhaal bij koffie en taart is voor mij de enige weg naar het verleden. Toen mijn grootouders, ouders, tantes en nonkels het vat verhalen openden over vroeger. Een wonderlijke zwartwitfilm waarbij tijd en emotie als een droom in elkaar vloeit, een droom die ik telkens opnieuw als een tapijtje aan elkaar tracht te weven. Maar zoals bij de impressionisten: elk tapijtje is anders. En al zeker elk tapijtje der herinneringen. De Meizangers is volgens mij een heel interessant stukje Sleidinge om te onderzoeken. Twee liederen zijn er nog van bewaard. Zingen voor een koppel eieren met een man of vier. Ik krijg zowaar een déjà vu. Doen wij rock ‘n’ rollers, fanfaristen en andere jazzpianisten ‘met jazzoren’ niet juist hetzelfde, vaak voor minder dan een koppel eieren? En is die maand mei, we zijn er nog niet, geen magisch moment? Hebben niet zowel de sossen als de papen getracht die feestelijke meimaand met haar aloude wortels diep in de Germaanse cultuur aan zich te binden ten einde een niets ontziende propaganda te voeren over het volkse en dorpse Vlaanderen. Heeft elk dorp niet zijn meistraatje waar jongeren in mei zich afzonderden van het dorp om te experimenteren met vrije liefde, sloten drank en  -waarom niet- rokende grassoorten met bedwelmende effecten? Onder het motto ‘eigen kweek’ vele tientallen jaren geleden. Hennep werd overal gekweekt. Vooral om koorden van te maken. En ik krijg in mijn altijd lopend onderzoek naar taartnamiddagen en ‘weet je nog toen...’ steeds meer de indruk dat wij niet veel veranderd zijn. We zijn vooral op zoek naar liefde, genegenheid, sommigen naar macht, maar is dat niet het ziekelijke zelfde? Meester Walter, man, ge zijt aan wat begonnen destijds. En meester Jozef ook. Die onuitspreekbare soms onuitstaanbare liefde voor dat woordje ‘Sleidinge’. Ik zie het bij veel van mijn schoolgenoten (oudere en jongere generatie) terugkomen. En het is zo schoon. Maar of het zoden aan de dijk brengt, dat weet ik niet. Jij wel, meester Walter? Of jij misschien, meester Jozef?

 

20 augustus 2014- Bart Van Damme

BevendenTarchiefkopie BevendenTarchiefkopie

De Kroatische kuststad Dubrovnik doet meteen aan Venetië denken. Vooral de hoofdstraat tussen twee torens zwiert je met een ruk terug naar het Italië van Marco Polo. Wist je trouwens dat Polo eigenlijk een Kroaat was? Niet te verwonderen, want het rijk van Venetië reikte ooit tot aan de poorten van het Ottomaanse rijk. Tussen die twee toren moest ik voortdurend kijken en luisteren naar die specifieke bewegingen en geluiden van de gierzwaluw. Bij hun vluchtmanoeuvres kunnen deze in duikvlucht snelheden van meer dan 200 kilometer per uur bereiken. Echte acrobaten. Wondertjes van de natuur. En ik moest onmiddellijk aan Sleidinge denken. Want rondom het torentje van 't klokhuis (vroeger mèt spits) en rond de toren van ene Joris De Wildeman in de Weststraat hebben de ‘gieren’, zoals Dzjie ze graag noemt, hun stek gevonden. Een uitzonderlijk verhaal eigenlijk. Toen ik in de tuin van Joris met de twee Jorissen vergaderde deze lente, begon de bekendste wilde man  uit Sleidinge plots heel raar te doen. Luister, zei hij. Pieeeeeuw, pieeeeeuw! Ik hoor ze vliegen. De andere Joris en ik hadden ei zo na de knip opgebeld, maar inderdaad: op die mooie, wonderlijke lenteavond begin mei kwam de eerste ‘gier’ thuis in de Weststraat. En dat maakt van die gierzwaluwen bijna familie, eigenlijk. Ik ben ermee opgegroeid, vertrouwde Joris ons toe. Schattig, toch? Zo schrijft de natuur ook een beetje onze Sleidingse geschiedenis. Hoekjes in ons dorp die wij niet eens kennen en waar fauna en flora nog baas kunnen zijn. Het einde van Veldhoek bijvoorbeeld: een paradijs voor ornithologen! Of de bossen van de Putten. Inderdaad, die bestaan écht. Of het Sleidingse gedeelte van het Waterspaarbekken. Daar is ter land, te zee en in de lucht van alles te beleven. Is dat erfgoed, mijnheerken Van Damme, hoor ik u luidop denken? Dat is ook een goede vraag, ik wil alleen maar zeggen dat de mens niet alleen is in het dorp. Dieren of bijvoorbeeld de bomen in de pastorijtuin zouden ons misschien de wildste geheimen kunnen toevertrouwen. Een kijk op de dingen die we nooit voor mogelijk hadden gehouden. Als ik het allemaal niet goed meer weet, dan pak ik de wandelstok van mijn overgrootvader zaliger Jules Van Damme. En dan vraag ik aan die stok: wat weet jij allemaal? Of ben ik nu helemaal besodemieterd?

 

 

21 juni  2014- Bart Van Damme

Column Raap van Rubens2 Column Raap van Rubens2

De Raap van Rubens. Het Suske en Wiske-album verscheen tijdens het Rubensjaar 1977. Ik was acht jaar oud en in de ban van Rubens, van schilderkunst, aanbidding der wijzen. Ik herinner me onze gezinsbezoekjes bij vrienden in Antwerpen en die fascinerende tentoonstellingen in het museum der Schone Kunsten en in het Rubenshuis. Ik kan nog steeds de Meir niet op zonder een bezoekje aan het Rubenshuis op de Wapper. Daar ligt de ziel van mijn passie voor verhalen. Daar en in de kerk van Sleidinge waar ene Nicolaas De Liemaeckere me meenam in een wervelwind van fantasie om maar niet te veel naar de preek van Browaeys of Verwilst te moeten luisteren. Niet dat wat die mensen vertelden daarom waardeloos was, maar ik was in de ban van die figuren op de glasramen en vooral van Sint-Joris die overal was in de kerk en ook nog eens de patroonheilige was van Johan, De Rode Ridder. Ook al een geesteskind van Willy Vandersteen.

Mijn God, die Antwerpse striptekenaar heeft mijn jeugd zwaar beïnvloed. Nog meer dan Iggy Pop, Jim Morrisson en David Bowie zelfs. Die kwamen ook wat later, mind you. Sint-Joris dus en de penseelslag van Gentenaar Nicolaas De Liemaeckere. Nota bene samen op de schoolbanken met een zekere Peter Paul Rubens bij Otto Van Veen. Dat ben ik nu te weten gekomen. En voor mij is de cirkel rond. Rubens zijn schoolkameraad (die naar verluidt sterk door Peter Paultje beïnvloed was) heb ik dus altijd goed gekend. En plots valt het hele plaatje voor mij in elkaar.

Nu weet ik ook waarom Jozef Pauwels, als Sleinse jongen, die edele schilderkunst wenste te beoefenen. Hij had het ook meegemaakt, de droombeelden en bijna levende verhalen die de kerk sierden en een eucharistieviering zoveel korter maakten. Wellicht heeft de jonge Jozef er ook nog een fel en onwrikbaar geloof bijgekregen. Dat was zo in die dagen. Dat gold ook ongetwijfeld voor Leo Steel en zijn zonen Rafaël en Georges. Al hebben die laatste twee ongetwijfeld de onstopbare schakel naar de moderniteit gevoeld.

Maar de verhaalkracht werd wel voortdurend gevoed door een tijd- en vakgenoot van het genie Rubens die de barokke penseeltovenarij in een bepalende richting zou sturen richting Jordaens, Van Dijck en zovele latere meesters. Zelf schilder ik niet, laat ons dat de mensheid besparen. Maar net als letterkundigen Valeer Van Kerkhove en Raf Van De Linde, theaterman Raf Goossens,dorpsschrijver Joris De Wildeman,  dichteres Magda Van Renterghem, muzikant Wim Lasoen, mr. Pianoman Germain De Craene, zijn prachtig zingende echtgenote én dochter, Nicodeamon, actrice Martine Geerinckx, mijn schooldirecteur Walter Verplaetse en zovele andere Sleidingenaren die mijn hart artistiek beroeren voel ik mij sterk verwant met die wirwar van verhaaltjes in dat grote witte gebouw aan het gloednieuwe Wilfried Martensplein in het hartje van mijn dorp. Rubens, tja. Hoe kon het anders? Toeval bestaat nu éénmaal niet.

En ondertussen verliest Nicolaas De Liemaeckere in Gent ‘zijn’ plein aan kunstpaus Jan Hoet die ooit als illustere onbekende kwam pleiten voor moderne kunst in het Sanderushuis en vijf trappisten later het hele kot mee had. Nicolaas De Liemaeckere heeft het dus niet getroffen. Eerst de duimen moeten leggen voor een plaatsje in de geschiedenis tegen zijn klasgenoot en nu onlangs genadeloos buitengeshot door Jan Hoet, kunstkenner (of charlatan?). Bij deze, een kleine rechtzetting toch voor de kunstenaar die het verhalen- en kleurenpalet in onze Sint-Joris en Godelievekerk bepaalt. Petje af.

 

 

19 mei 2014 - Bart Van Damme

Column Bom Column Bom

Collatoral Damage. Tijdens de eerste Golfoorlog hadden Danny Verstraeten en andere Faroek Ozgünessen enige moeite om ons deze nieuwe Amerikaans modeterm diets te maken. Het is nu, op dit moment dat ik dit schrijf, zeventig jaar geleden dat Sleidinge gebombardeerd werd door twee squadrons met Canadese piloten op zoek naar meerdere eer en glorie voor het British Empire en ten strijde voor onze vrijheid. Het moet gezegd, de Canadezen (en de Polen) zijn ‘onze’ bevrijders. Kijk naar het Canadaplein in Eeklo en ‘onze’ Polenstraat. Over collatoral damage als modieuze oorlogsverdoezelingsterm toen nog geen sprake. Het is nu, op dit moment dat ik dit schrijf, dat de twee Jorissen uit Sleidinge, mijn persoonlijke erfgoedhelden (en nog veel meer...), met een groep van veertig cultuurliefhebbers door Sleidinge schrijden en hen finally meer inzicht te schenken in het hoe en het waarom van het Calcuttabombardement. Het monument bij Heyde in de Schoolstraat. Het mirakel van de meivieringen. Het hoe en het waarom van het drama in de Kaaistraat. Het hoe en het waarom van zeven nutteloze Sleinse doden. Het hoe en het waarom van het intrigerende doek van Georges Steel (weer hij...) met Sleidingse burgerslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Een doek dat, buiten mijn weten en besef om, na een carrière van enkele tientallen jaren Sint-Joriskerk stilletjes in de kelder van de pastorij verzeild geraakt is en er aan het wegkwijnen is. Ik heb schepen Martine Willems gesmeekt om met dit erfgoed gemeentelijk alvast iets aan te vangen. En Martine zal het ter harte nemen. Ik weet dat. Zij kan niet toveren, maar ze zal het ook niet loslaten. Al was het maar omdat ook haar papa Drétjen Willems, eeuwige eerste schepen en ACV-voorman in ons dorp, het ook zo zou gewild hebben.

Het hoe en het waarom dus. Ik kreeg het verhaal twee dagen geleden al te horen, bij de eerste bombardementswandeling. Het waarom van het bombardement door onze Canadese bondgenoten getuigt alvast van een schrijnende nutteloosheid. Collateral damage. Letterlijk. De squadrons met Hawker Typhoons uit Bournemouth, Zuid-Engeland, geleid door ene mijnheer Judd waren 400 km ver gevlogen op zoek naar tanks in Evergem. Zo staat het beschreven in hun top secret vluchtrapport. De tanks werden niet gespot en er werd, in a blink of an eye, door de commanding officer beslist dat de bommen hoedanook moesten gedropt worden. Er werd gekozen voor een grote fabriek in de buurt. Dat werd Calcutta. Een toevalstreffer. En collatoral damage ook. Gedaan met de dorpsmythes over naar huis gestuurde arbeiders en door ‘Het Verzet’ doorgegeven verhalen over de productie van parachutes in Calcutta. Integendeel, een ontluisterende waarheid. Tanks in Evergem die nooit werden gevonden. En een pijlsnelle militaire beslissing om zo snel mogelijk de bommen kwijt te geraken voor een safe journey home. Een praktijk die vaak voorkwam, zo verzekert de militaire expert Cynrik De Decker ons. Ere wie ere toekomt. Cynrik zocht het allemaal haarfijn uit. Maar de waarheid is zonder meer choquerend te noemen. Op mijn nieuwe werkplek in de Eeklose Huysmanhoeve heb ik vaak gesprekken met de Iraanse vrijwilliger Mo die als klein kind de Iraaks-Iraanse oorlog meemaakte, er zijn vader en nonkels verloor en heel zijn leven lang dergelijke absurde beslissingen en doden rondom hem meemaakte. Daarna volgde een leven in een steeds nauwer denkende dictatuur. Zijn land, een speelbal van geopolitiek. Zoals het België tussen 1850 en 1950, eigenlijk. Hij heeft er genoeg van en wil liever in het nu veel veiligere België aan zijn toekomst verder bouwen. Wie kan die jongen ongelijk geven? Zeventig jaar geleden maakten wij mee wat mensen in het Midden Oosten nu zien. Vaak is de absurditeit nog groter te noemen want, je weet het of je weet het niet, maar drones die bombarderen worden zelfs bestuurd vanuit een veilig kazernelokaaltje ergens in de woestijn van Nevada. En de opgeleide ingenieurs achter het scherm zijn opgeleid om even snel beslissingen te nemen. Over leven en dood.

 

Gemakkelijk natuurlijk wel voor mij, als stukje scherpe pen, om nu een beetje de Sleinse moraalridder uit te hangen. Het was oorlog, mijnheer. Wat kunnen wij daar aan veranderen? Ik denk dat we op zijn minst mogen vaststellen dat de bommen  onderaan de Hawker Typhoons toen die negentiende mei 1944 beter in de zee gedropt waren. Want nu hebben ze schade toegebracht aan het economische weefsel in een dorp van een land dat later partner van Canada zou worden. Plus: er zijn doden gevallen. Nutteloze Sleinse doden. Zijn dergelijke voorbeelden van 'Het was oorlog, mijnheer' geen goede gelegenheden om er over na te denken van hoe onze (Westerse) legers mogen en kunnen te werk gaan in verre fronten zoals Congo, Kosovo, Afghanistan of Irak? Wat kan en wat niet kan? Het is een open vraag, hoor. Voor ethiek moet je bij mensen zijn die daar heel veel over afweten. Mijn buurjongen en hartsvriend  Jan Verplaetse bijvoorbeeld. Professoren. Denkers. Maar  goed, ook Sleinse archiefcolumnisten plegen al eens een mening. En ik ga eerlijk zijn: van deze zaak heb ik wakker gelegen. En dat gebeurt me niet vaak.

 

 

13 mei 2014 - Bart Van Damme

GeorgesSteel2 GeorgesSteel2

Sleidingenaars beseffen het niet. Maar in de goddelijke zonnestad Granada, op de Sacromonte aan de rand van de Sierre Nevada, is een stukje Sleinse geschiedenis geschreven. Waar de Islam, het Judaïsme en ‘onze’ Kerk vaak vocht én heel soms vredevol samenleefde.  En als geboren kleine observator ben ik er een heel klein beetje bij mogen zijn. Ik ken het dorpje Capileira en ik was er in 1974 toen het schilderij geschilderd werd dat nog steeds in mijn living in de Eeklose Oostveldstraat prijkt. En ik kén Bubion, en ik kén Orgiva, en Trevelez, enzovoort, enzovoort. En ik ben heus niet de enige streekgenoot met een stukje van zijn ziel in mijn huis. Ik was toen vijf jaar en ik herinner me die reis alsof het gisteren was. Die reizen. Ik ben vele jaren later verschillende keren terug gegaan naar hetzelfde pleksken. Met mijn mama en papa. Met mijn vrouw. Alleen. En met de tweeling. De laatste keer in Méson Poqueira  in Capileira liet ik de naam Georges Steel vallen. De naam viel als een steen. “Een vriend van mij”, klonk het lyrisch. De man werd stil. Kreeg tranen. En hij overdreef niet, vernam ik later. Want als Georges, ondertussen overleden maar toen nog niet, nog contacten onderhield vanuit zijn herenhuis in Oedelem was het vooral met zijn vrienden in Spanje. Mét Méson Poqueira. Waar hij zijn ziel maar ook zijn zoon verloren heeft. Met trieste eenzaamheid tot gevolg. Georges schreef me nog een brief. Beetje bitter maar toch zo lief. Mijn mémé Margriet Van Renterghem was zijn lieve lieve buurbrouw geweest. Mijn mémé. Iemand waarop je kon bouwen. Mijn ouders hadden ook een groot hart voor deze man met zijn schitterende verhalen en dikke welriekende sigaar in de mond. Ons gezin, wij hielden van hem. Van zijn gezin. Van zijn passie. Met zijn geit (2CV) van Brugge naar Mojacàr. En zijn sneer in ‘de laatste brief’ naar moderne kunst. Het hart op de tong. Bang om vergeten te geraken ook. Alhoewel ik denk dat hij Michaël Borremans (Gentenaar, nu Bozar Brussel, straks Dallas en Tel Aviv...) zeker zou kunnen smaken hebben. Die terugkeer naar de échte schilderkunst. Het vakmanschap. Het gezicht, de vrouw, de handen vooral. Bravoure voor wie schilderen kan. Een liefde die hij doorkreeg van zijn illustere vader die wij kennen als standbeeld aan de Stroming. En als de man die de fresco’s maakte in café Sanderus. Die Steeltraditie, noblesse oblige,  werd verder gezet door de poëzie (ik heb er helaas nog nooit iets kunnen van lezen) van zoon Pablo, door ambassadeur neef Piet, door die lieve tante Paula, juffrouw Greta van de meisjesschool en ook, voor mij met een persoonlijk nostalgische noot naar mijn overleden nonkel Roland Pattheeuws,  door de Galerij Sint-John in de Volmolenstraat in Gent waar ik zeven jaar humaniora liep. Steel. Mijn tantes schoonbroer Leo en daarna Emmy en Raf. Een klein stukje Sleidinge ook rechtover de mooiste Romaanse kerk van Vlaanderen, onbekend en onbemind. Sint-Jacobs. Startplek van lange tochten naar Spanje. Loop er eens binnen, in die beide speciale kerken daar aan de Charlatan. Georges Steel, Rafaël Steel en stamvader Leo Steel achterna. De verhalen van de oorlog. Montgomery in de sneeuw. Nog voor de Duitsers vertrokken waren. De jerrycan door het raam van mijn pépé’s schilderwinkel op het einde van de oorlog. Georges wist er het fijne van. Hij, Georges, heeft het gezien. Wie en hoe. Of het schot vanop de Vellemanstoren die het hekken aan het ‘Domein’ in de Weststraat tientallen jaren een kleine wonde bezorgde. Hier was het, zei mijn vader altijd, hier is de ijzeren pijler afgeschoten. Vanop de toren waar tot voor kort de letter l-a-r-o-y. op stonden. Momenteel een gereformeerde plek, een verkaveling achter wiens gordijnen deze verhalen vaak niet meer bekend zijn... of nooit geweest zijn. Maar laat dat nu één grote levensles zijn die ik als kleine gluurder van de prachtige mens Georges Steel meegekregen heb. Een schilderij, een verhaal, een lied: dat is voor altijd. Daar staat geen datum op. De ‘gitanos’ op de Sacromonte, en zeker hun levensstijl met de hoeden, de gracieuze vrouwen, de lieflijke ezeltjes  en de doordringende van Georges Steel zijn zeker verdwenen. Maar in onze woningen bij allemaal onze familieleden, vrienden, ouders en grootouders hangt het verhaal nog steeds. 1974 staat er bij mij bij. En die rode typerende gracieuze handtekening van Don Jorge. Die... ‘krullewiet’. Het lijkt zo dichtbij. Tastbaar bijna. En onmiskenbaar Sleidinge.

 

 

22 april 2014 - Bart Van Damme

Column2 Column2

Ik zie me daar nog staan. Naast mijn pa te kijken in de tuin terwijl de bombardementen op Calcutta bezig waren. Ik weet dat nog heel goed. En het verhaal van mijn jeugdvriend Antoine Tack die een stuk dichter bij het bombardement in de Weststraat woonde en een kassei had gevonden net na het bombardement waar zijn vader eventjes te voren nog in de tuin had staan werken. Die kassei was tot in de tuin gevlogen. Antoine zei dat voor het zelfde geld zijn vader zou omgekomen zijn mocht die kassei hem op het hoofd gevlogen zijn. Het verhaal kwam bijna uit het niets. Mijn vader vertelde het achteloos, maar ik had het nog nooit gehoord. Over de winkel ook van Marc Termont. Hoe die verhuisd zijn en hoe Marc zijn overbuur geworden is. ‘Mijn’ meester Termont. ‘Onze’ meester Termont. Want vele Sleinse jongens zoals ik kregen les van Termont. De man die siert op dé KSA-foto die steeds maar opduikt van ‘onze’ Wilfried Martens.  God hebbe zijn ziel.

Ik verzamel al die kleine verhalen van mijn ma en mijn pa in een kistje in mijn hoofd. Een kistje van goudwaarde. Want ik zal zelf het verhaal ook ooit opdissen aan de desserttafel met het gezin, misschien met de kleinkinderen. Het zijn oorlogsverhalen en ondanks de woorden en de sympathie waarmee je naar die woorden luistert, zal ik altijd (gelukkig...) kunnen zeggen dat ik nooit een oorlog heb meegemaakt. Maar ga er maar eens dieper op in. Een kind van zeven jaar aan de hand van schilder-behanger Arsène Van Damme, in de tuin aan een gloednieuw huis. Mijn bomma Maria Taets uit Lembeke en mijn pépé zijn getrouwd in 1937. Het huis is er gekomen in 1938 en mijn vader ook. Een piepjong gezin. Jonger dan ik nu ben. Veel jonger. Aan de start van een nieuw veelbelovend leven. In de hoop veel te kunnen genieten zoals mijn grootouders konden genieten. En dan sta je daar met je kleine van 6 jaar en je nieuwe huis waar je als stielman in oorlogstijden heel moeilijk kunt voor afbetalen. En vlakbij (300 meter? 400 meter?) vliegen bommen op het dorp; sterven mensen die je kent; waar je de vorige zondag nog mee in de kerk hebt gezeten of een pintje hebt mee gedronken...

“Dat waren toch tijden, zulle!”, hoor ik me dan luidop zeggen. Maar wat weet ik daar in Godsnaam van? Ik zou beter zwijgen en luisteren. Mijn vader ja! Hij heeft zijn vader gezien met een Duits geweer voor het hoofd. Hij heeft in die loop gekeken, dat zegt het familieverhaal. Vluchtende Duitsers op zoek naar een fiets. En pépé had zijn fiets verstopt. De Duitsers wisten het. Want ze ontwaarden boven op zijn schilderskast een stuk ‘guidon’. Angstige soldaten op de vlucht. Levensgevaar. De schrik van zijn leven. Ik weet niet wat dat is. Wat ik wel weet, is dat we allemaal ons kistje met verhalenschatten van goudwaarde moeten koesteren en bijhouden. Vertel het verder, schrijf het op, laat het ons weten. Mijn vrienden Joris en Joris zitten tussen stapels papieren en herinneringen. Maar zijn we niet allen bang dat we die mooie anekdotes van onze ouders en onze grootouders gaan kwijtspelen? Die bloemetjes van kennis en herinnering? Of ben ik gewoon een nostalgische gek? Faites vos jeux! Kies zelf maar...

Maar ondertussen zijn de eerste teksten van Raf Goossens klaar. Ik zit al met een lied in mijn hoofd. En onze reclamecampagne voor 22 mei loopt op volle toeren. Albert Forré gaat de ronde van Sleidinge doen. Ook dat, beste mensen, beschouw ik als een daad van erfgoed. Good ol’ Albert van de Polenstraat. FPS, Forré Polenstraat Sleidinge, mijn voorloper bij Het Laatste Nieuws. Alle weken paraat op de markt van Eeklo. Een vat vol verhalen. Daar doen we het toch voor?

 

 

12 april 2014 - Bart Van Damme

Column1 Column1

Over mijn schouder kijkt Désiré Van Damme mee. Het zelfportret van van mijn betovergrootvader hangt op mijn bureau en er hangt werkelijk niks, niente, nada in mijn huis dat ik zo belangrijk vind. Noem het mijn ziel. De kern van mijn bestaan. Voor één keer heeft Désiré het kot verlaten. Ik heb hem in mijn fruitboom gehangen. Ik woon in Eeklo, maar ik durf met het hand op het hart zeggen dat de fruitboom waar Désiré in hing een rechtstreekse link heeft met Sleidinge en zelfs met de andere tak van mijn familie ‘De Cornelissen’. Ik heb het geluk in mijn tuin nog drie echte Meetjeslandse fruitbomen te hebben (en één late notelaar) die er al stonden toen dit stukje Meetjesland tussen Evergem-dorp en Eeklo-stad internationaal bekend was voor zijn fruit.

‘Wij’ exporteerden fruit naar Engeland en de Sleinse houtzagerijen, ook die van Cornelis, zijn allemaal ontstaan toen er nood was aan houten fruitbakjes om al die peren en appels in te vervoeren. We spreken over de bruine kriekpeer en over de glanzende Trezeken Meyers, niet de snelste deerne van het dorp maar wel de lekkerste appel. In zo’n boom wou ik mijn betovergrootvader toch eens even een kwartiertje hangen, voor de fotosessie. Zeker nu de bloesems bloeien zoals ze al vele tientallen jaren in ons Zoete Meetjesland bloeien. Désiré Van Damme, tot zover ik weet stichter van een drie generaties lang geslacht van schilder-behangers. Vier generaties eigenlijk want mijn vaders achterneef Urbain werd bij mijn pépé ooit opgeleid als schilder-behanger en had ook ‘de stiel’ in de vingers. De lokroep van Sidmar begin de jaren zeventig bleek echter sterker, voor veel jonge talentvolle mensen in onze dorpen trouwens.

Désiré was de vader van mijn overgrootvader Jules, die in Sleidinge bekend werd als uitbater van Café Rubens. Ik heb zijn klok nog en laat dat dan voorwerp nummer twee zijn dat ik nooitvanzelevens wil verliezen. Want wij zijn een volk van archivarissen. Wij leggen graag onze geschiedenis neer. We zijn niet alleen, hoor. Dat is in Polen zo, dat is in Spanje zo, dat is in Amerika zo. Al komen de Amerikanen daar dan uiteindelijk vaak voor terug tot in Europa en Afrika waar de ‘roots’ liggen. Kunta kinte.

Désiré Van Damme en zoon Jules waren ook betrokken bij de toneelvereniging ‘Voor God en Taal’. Ze staan parmantig mee te pronken op een foto die nu nog in de vergaderzaal van het huis van Dr. Magerman hangt, het administratief centrum aan CC Stroming (weststraat 31). Kleinzoon Julien (Voor Elck Wat Wils) en achterkleindochter Antoinette (De Dansclub) bleven de traditie van toneel en podium verder uitbouwen. En ik ben maar wat blij dat we (met mijn als nazaat van ‘den Dees’) nu tien jaar na Calcutta, deze keer echt in Calcutta, opnieuw onze geschiedenis op het podium willen belezen, bezingen en becommentariëren. Want wat is een archief eigenlijk? Wat is onze geschiedenis? Mensen, als het u interesseert om in dat Meetjeslandse verleden van 25 tot 200 jaar geleden te wroeten en te wrochten, kom dan op 22 mei naar Stroming en luister naar het verhaal van Tarchief. Désiré kijkt plechtstatig over onze schouders mee. Daarvoor alleen al doen we het, toch? Om onze voorouders een klein beetje trots te maken op wat ze hebben achtergelaten?